23 november 1963

1963 was het laatste jaar dat ik in Sinterklaas geloofde. Mijn moeder zou mij rond Kerstmis vertellen dat het allemaal een poppenkast was. En dát was even slikken, want het ultieme cadeau, het meisje van mijn dromen, zou dus nooit in een juten zak uit Spanje komen en in mijn schoen belanden.

Ik had al iets kunnen vermoeden. Ik kreeg op de ochtend van 23 november te horen dat de intocht van Sinterklaas was afgelast. De hele wereld was gehuld in diepe rouw, omdat een dag eerder John F. Kennedy in Dallas was vermoord.

Zijn dood had ook míjn ouders danig aangegrepen. Om afleiding te zoeken en ons nog iets van een sinterklaasfeestje te bieden, namen ze m’n zusje en mij op zaterdagmiddag toch mee naar Aalsmeer. Wij waren de enigen op straat. Iedereen zat natuurlijk bij de radio en voor de televisie om het laatste nieuws te vernemen.

Kennedy werd bijna heilig verklaard en het leek of de mensheid een van de grootste rampen ooit was overkomen. Waarom dweept men zelfs nu nog zoveel met de man die grote woorden rondstrooide zoals Sinterklaas suikergoed? Misschien wel hierom: in tegenstelling tot Sinterklaas kreeg Kennedy de kans niet om zijn beloftes niet na te komen. Daarom zijn velen blijven geloven in het sprookje dat de wereld er onder zijn leiding een stuk op vooruit zou zijn gegaan.

En als Kennedy zich nu eens in een tank en niet in een slee had laten rondrijden? De kogels zouden zijn afgeketst als pepernoten op een kristallen bol. Maar ook de minst getalenteerde waarzegster had daar hooguit één blik in hoeven werpen om alle hoopvolle voorspellingen te zien vervagen.