Geschiedenis

Het verleden heeft mij altijd geboeid, en dan vooral de Tweede Wereldoorlog. Ik was een frequent bezoeker van de bibliotheek en las met rode oortjes in alle boeken die er over dat onderwerp te vinden waren. Naast de serieuze literatuur verslond ik oorlogsstrips. Ik zat op het Snellius en reed op vrijdagmiddag na het laatste uur vaak naar De Posthoorn. Daar stond ik soms een half uur te bladeren, want ik zocht vooral boekjes waar vliegtuigen in voorkwamen.

Ik had namelijk nóg een passie, luchtvaart. Ik zag ooit een formatie van vier Starfighters overkomen. Toen wist ik het, ik wilde straaljagerpiloot worden. Helaas ging dat vanwege een bloedafwijking niet door. De keuringsarts grapte nog: “Ach joh, wees blij dat je bloed niet goed genoeg is. Dan kan het ook niet vergoten worden.” Misschien had hij wel gelijk. In Duitsland, maar ook in Nederland, zijn er heel wat Starfighters uit de lucht gevallen.

Ik zou dus niet op een vliegbasis eindigen. In plaats daarvan kwam ik voorlopig eerst in een tuin terecht, een taaltuin. Die was aangelegd in het net geopende nieuwe gebouw van het Snellius. En daar waren oorlogsstrips en verhalen over straaljagers natuurlijk taboe, we leefden tenslotte in de jaren zeventig.

In die taaltuin leerde ik vooral iets over ongebreideld ouwehoeren. Er werd dan ook regelmatig Neerlands Hoop op de video gezet. Maar het cabareteske en moraliserende gefröbel van Bram en Freek, door een van hun oudere collega’s pesterig Dram en Preek genoemd, heeft me nooit kunnen fascineren. Omdat ik van Neerlands valse hoop weinig moest hebben, werd ik er door mijn klasgenoten van verdacht ‘rechts’ te zijn. “Dat klopt”, zei ik dan en hield met mijn rechterhand een BIC ballpoint omhoog.

Ik liet me niet uit de tent lokken. Op de links/rechts vraag antwoordde ik steevast “rood”, want ‘groen’, dat bestond toen nog niet. In de verte, over de weilanden heen, kon je de chemische fabriek CINDU zien en, als de wind goed stond, ook ruiken. Zelf konden we er trouwens ook wat van. Wat wij tijdens scheikundepractica aan chemische stoffen via de zuurkast de lucht in bliezen, daar zou een gemiddeld bedrijf nu een zware milieuboete voor krijgen.

De jaren zeventig waren een interessante tijd, en dan vooral omdat er zoveel veranderde én weer terugveranderde. Ik kwam in 1972 op school toen ruige lange haren nog heel gewoon waren, maar in de vier jaar van mijn ‘Snelliustijd’ zag je de haartjes korter en netter worden. In 1976, toen ik eindexamen deed, was er geen hippie meer te vinden. Enige voorlopers van de latere yuppen liepen al door de gangen van het schoolgebouw, geblazerd en wel. De dingen begonnen weer hun natuurlijke loop te nemen.

Gelukkig is De Posthoorn géén geschiedenis geworden. Overigens kocht ik daar niet alleen maar oorlogsstrips. De meeste van mijn Asterixen kwamen er ook vandaan. En nu haal ik er mijn wens- en gedenkkaarten. Dat laatste helaas steeds vaker, want voor de mens is de geschiedenis nu eenmaal onverbiddelijk.