Mensen in de wijk

MENEER GAL , MEDEOPRICHTER VAN HET MOC EN EEN VAN DE EERSTE WIJKBEWONERS.

Toen meneer Gal besloot om voor het bedrijf Fokker te gaan werken, moest hij het mooie Oosterbeek verlaten en verhuizen naar Amstelveen. Meneer woont als sinds 1955 in Keizer Karelpark. Vol trots vertelt meneer Gal dat hij de eerste bewoner van de straat is. Meneer Gal was 58 jaar oud toen hij na een succesvolle carrière als elektrotechnisch tekenaar besloot vervroegd van zijn pensioen te gaan genieten. Gedurende zijn carrière kon hij zijn kennis en kunde betreft vliegtuiginstallaties toepassen, maar hier kwam een einde aan toen Fokker failliet ging. Tijdens het afnemen van het interview viel mij al op dat meneer Gal nog zeer actief is. Het verbaasde mij dan ook niet dat hij vertelde dat hij gedurende zijn pensioen ook actief vrijwilligerswerk heeft gedaan.

Stichting Woningbouw Schiphol heeft in 1955 de omliggende huizen gebouwd. Ongeveer 192 huizen zijn destijds gebouwd voor werknemers van Schiphol. Dit zijn de woningen van de Essenlaan, Olmenlaan, Magnolialaan & Lindenlaan. Helaas was er weinig contact tussen de bewoners omdat de huizen destijds om en om werden verdeeld: Fokker – Schiphol – Fokker – Schiphol en af en toe een van de gemeente tussendoor.

Naast de woningen waren er 3 kleuterscholen en een basisschool. Deze waren omringd door weilanden waardoor er veel speelruimte was voor de kinderen. Daarnaast was er ook een houten barak, dat diende als de noodkerk. Toen in 1962 de nieuwe kerk werd gebouwd is de houten barak blijven bestaan, maar gaan functioneren als het trefcentrum. Het MOC heeft dezelfde functie als wat het trefcentrum vroeger inhield. Het bestuur van het trefcentrum is later het MOC gaan bouwen. Bij de opening van het MOC heeft meneer Gal een bord gemaakt en geschonken ter ere van de opening. Dit bord representeert de Lindenlaan en het MOC.

Vanaf het moment van de opening van het MOC is meneer Gal hier begonnen met zijn vrijwilligerswerk. Daarvoor was hij werkzaam in het trefcentrum. Hij had het daar ontzettend naar zijn zin maar tegenwoordig zijn de werkzaamheden, volgens meneer Gal, aanzienlijk veranderd. Toen meneer Gal nog aan het werk was, was hij al actief in de avonden en weekenden. Meneer Gal deed daar van alles, zoals klusjes en het organiseren van activiteiten. Dezelfde activiteiten als in het MOC, maar dan in mindere maten. Een voorbeeld van een van deze activiteiten is de filmclub. Elke zondagmiddag werden er films gedraaid, speciaal voor de kinderen.

Het MOC is inmiddels 4 jaar geleden verbouwd. Voor die tijd was meneer Gal hier al actief. Van 1969 tot 2014 heeft hij hier vrijwilligerswerk gedaan. Helaas doet meneer Gal nu geen vrijwilligerswerk meer in het MOC. Hij is er nu alleen nog op maandag en donderdag te vinden omdat zijn vriendin hier dan kaart.

Meneer Gal geeft aan dat het nog steeds een fijne buurt is om te wonen. Al weet hij niet goed wie er om hem heen woont. Dat vindt hij niet jammer, het is logisch. Veel mensen zijn overleden. Zo blijven er weinig contacten over. In het MOC heeft hij nog steeds veel contacten. De alledaagse sfeer in de wijk is volgens meneer Gal prima. Iedereen doet zijn eigen ding en dat is goed zo.

Meneer Gal is nog altijd erg druk. Hij heeft altijd alle afspraken in zijn uitermate accurate agenda staan. Meneer Gal is ontzettend secuur, dit heeft hij opgedaan en ontwikkeld in zijn werkveld, waar geen enkele fout gemaakt mocht worden. Dit vertaalt zich nu in de gedetailleerde agenda. Zo staan hier alle belangrijke data, nummers, gegevens en dergelijke in.

Het was een leuke ervaring om meneer Gal te mogen interviewen over het MOC, de geschiedenis van de buurt en over hem zelf.

2019, Dennis Rood.


HANS OPPELAAR DE EERSTE WIJKKRANT

We hebben de hand weten te leggen op de eerste wijkkrant! Het hele exemplaar, oud, vergeeld krantenpapier uit het jaar 1995, ligt bij wijkbewoner Hans in de bureaulade. Een aantal leuke details, inclusief scans, delen we graag met u.

Om te beginnen natuurlijk de voorpagina en het voorpaginanieuws anno 1995.

Het nieuws was de instelling van Buurtconciërges en ja, u raadt het al, dhr. Hans Oppelaar uit het artikel is dezelfde wijkbewoner die deze krant naar ons bracht.

“Ik kon best wat betekenen. Een buurtbewoner had last van het getik van de klok die op de schoorsteenmantel van zijn buurman stond. De ruzie laai

de hoog op. Maar met een heel simpele tip (leg een doekje onder de klok) was het probleem opgelost.”

“Of er weer buurtconciërges moeten komen? Misschien wel, op een andere manier. Een conciërge kan tijdelijk een verbindende rol vervullen inbuurten of flats waar weinig onderlinge contacten zijn.”


IN APRIL PRECIES EEN JAAR IN DE WIJK: RUTGERS FYSIOTHERAPIE.

Hoe vind je het om in het Augustinuspark te zitten?

Zoals we hier zitten, midden in de wijk, zichtbaar en laagdrempelig, zo wil ik werken. Ik heb mijn praktijk bewust buiten een gezondheidscentrum gehouden, omdat ik mensen in hun omgeving wil helpen.

Ik maak voor oefeningen ook gebruik van het prachtige nabijgelegen park. Bij lekker weer kan je soms senioren zien oefenen in het gras, allemaal met een brede lach op hun gezicht.

Seniorenbootcamp?

Zo zou je het kunnen noemen. Idee erachter is, dat er veel zaken meespelen in het gezond worden en blijven. Een wandeling versterkt en oefent een aantal spieren, maar ondertussen is de lucht, het licht, de groep, de natuur ook van invloed. Vooral het plezier is zo belangrijk!

In mijn praktijk geen sophisticated fitness-apparatuur zoals je ziet, veel natuurlijke materialen, licht en ruimte en eenvoudige oefenapparatuur waarmee wij vooral functionele oefeningen doen.

Bewegen in de wereld

Mensen komen hier om beter te worden, om te revalideren. Wij benaderen de mens als geheel. Ik vraag wat hun doel is, waar ze naartoe willen werken. Er komt zoveel kijken bij revalideren, niet alleen het lokaal behandelen van de blessure.. We werken hier aan het beter maken van de persoon in plaats van het behandelen van de klacht. Immers, als je net geopereerd bent aan bijvoorbeeld je knie wordt je hele wereld anders: je kan je hond niet meer uitlaten, niet meer fietsen, misschien je hobby niet meer uitoefenen en je bent ineens afhankelijk van anderen. Dat is een flinke aantasting van je dagelijkse bestaan.

We helpen mensen daarin een (nieuwe) weg vinden, de verantwoordelijkheid te nemen voor hun eigen welzijn en gezondheid en dat op een positieve manier zelf te beïnvloeden. Met (zoveel mogelijk) algeheel herstel, in alle opzichten, als einddoel.

De wijk

Belangrijk natuurlijk! Daarom staan we er ook middenin. Ik wil ook graag in deze wijk, in het Augustinuspark, investeren. Misschien een kerstmarkt?

Ik heb veel verbinding met het Keizer Karelpark: mijn eerste spreekuren hield ik op de Lindenlaan, jaren geleden en ik ben getogen op de Maarten Lutherweg!


FRANK  BIKKER – DECEMBER 2017

Frank Bikker heeft zijn jeugd doorgebracht in Keizer Karelpark. Voor de Keizer schrijft hij regelmatig smeuïge memoires uit die tijd. De kwajongensstreken die hij hieronder beschrijft spelen helemaal in op de naderende kerstperiode.

Kerstbomenoorlog rondom ‘Lenteknoppen’.

Vroeger heette  Palet Zuid de Wilhelminaschool met daaraan verbonden de kleuterschool “Lenteknoppen”.  In alle straten en straatjes die daar zijn, wemelde het vroeger van de kinderen. Je kwam niet eens in aanmerking voor een huis, als je geen kinderen had.  Deze scholen waren dan ook overvol. Gevolg was dan ook dat er altijd wel iets op straat te beleven was. Je moest als kind ook wel, want de huisjes waren maar klein en geld voor speelgoed was er niet veel. Je had wel meer de ruimte want bijna niemand had een auto. Dus er werd veel gevoetbald, gerolschaatst, geknikkerd enz. Ook waren er jaarlijks terugkerende rituelen. Zo werd het speelveld bij de Hortensialaan vroeger in de winter omgetoverd tot een ijsbaan.

Ik heb daar ook, eerst achter een keukenstoel, op te grote Friese houten doorlopers de nobele kunst van het schaatsen geleerd. ’s Zomers was het een mooi voetbalveld, als je tenminste niet uitgleed in de modder, maar dat vonden wij als kind meer een probleem van de moeders dan van ons.

In die tijd had iedereen thuis wel een echte kerstboom, weliswaar van de goedkoopste kwaliteit met als gevolg dat de naalden al na een paar dagen uit begonnen te vallen, maar dat mocht de pret niet drukken. Ma ging er wel iedere dag met de stofzuiger even om heen. Het was een karweitje van niets, want in de meeste huizen lag nog in de huiskamer zeil op de vloer met hier en daar een kleed. Na oud en nieuw vond ze toch dat die boom te veel troep gaf en moest hij direct afgetuigd worden. Meestal gooide men hem in de tuin totdat hij bij het vuil gezet kon worden.

Hier zaten alle jochies uit de buurt dus op te wachten! Ze begonnen waar het maar enigszins mogelijk was alle bomen uit de tuinen te pikken en die werden meestal verzameld in een tuin van een jongetje wiens ouders dat niet zo erg vonden, want we konden van de gemeente bonnetjes krijgen voor elke ingeleverde boom waarmee je dan per wijk een fiets kon winnen.

Elk hofje of gangetje had wel zo’n verzamelpunt. Dat wisten wij toen ook al. Maar elke “bende” of “gang” wilde natuurlijk zo veel mogelijk bomen hebben en hoe, daar waren we niet zo in geïnteresseerd. Men stuurde er dus eerst een “spion” op uit, meestal de kleinste of het “lulletje rozenwater” van de groep, die de exacte locatie van het verzamelpunt moest uitzoeken, was dit bekend, dan werd de “overval” met 6 tot 10 jongetjes uitgevoerd, die in één keer zo veel mogelijk kerstbomen probeerden mee te snaaien. Dit gebeurde natuurlijk over en weer.

Eén keer kan ik me nog goed herinneren. Dat was op een maandag, wasdag, de dag dat alle vrouwen hun witgoed aan de lijn hadden gehangen. We hadden net een geslaagde overval uitgevoerd en renden met onze buit naar ons gangetje, totdat we werden tegengehouden door een wat oudere broer van de “vijand” en een stel van zijn vrienden. Die pikten onze net veroverde kerstbomen natuurlijk weer in, maar zij wilden die eigenlijk helemaal niet inruilen voor wat stomme bonnetjes waar je heel, héél misschien een fiets mee kon winnen. Zij hadden, vonden zij, een veel beter plan. Ze gingen met de bomen naar het veldje bij de kleuterschool “Lenteknoppen”, waar toen een zandbak lag. Daar werden een paar bomen in de fik gestoken. Dat vonden wij eigenlijk ook wel leuk. Die jongens wisten ons over te halen ook onze bomen erbij te doen. Op het laatst hadden we zo’n 20 bomen. Dat zou een mooie fik geven!!!! Eén jongen was op het dak van het schooltje geklommen en daar vond hij wat losse stukken dakbedekking en die gooide hij er ook bij. Toen de hens  erin. Nou fikken deed het wel en die lappen dakbedekking zorgden voor grote zwarte rookwolken, die uitgerekend naar de drogende witte was van de moeders dreef. Binnen no-time kwamen uit alle hoeken en gaten woedende moeders. Tante T…, we noemden toen iedereen tante en ome, was zelfs zo kwaad, dat zij met een meegenomen mattenklopper de billen van haar twee spruiten begon te bewerken, die er dan ook brullend vandoor stoven!!!! We moesten het vuur zo snel mogelijk uitmaken. En de kreten: “Wacht maar tot ik je vader spreek’.”, waren niet van de lucht Het was eigenlijk al bijna uitgebrand, maar het ging om het idee. Menig jochie heeft daarna een poos huisarrest gehad en vele moeders hebben de was nog een keer moeten doen en in die tijd was dat geen sinecure, want in een heleboel gezinnen had men nog geen echte wasmachine en was je met de was minimaal een ochtend bezig. Het was intensief en zwaar werk.

Tegenwoordig komen kerstbomenfikkies relatief weinig voor. Een heleboel mensen zijn overgestapt op de kunstkerstboom. De gemeente is er zelf ook mee gestopt om op een centrale plaats in de gemeente een hele grote kerstbomenfik te organiseren, vanwege het milieu en te weinig belangstelling.


BOVENKERKERKADE

Er wordt dit voorjaar hard gewerkt aan vernieuwing van het wegdek. Het was dan ook in een erbarmelijke staat.

Door het water zijn nieuwe kabels aangelegd van de Nuon, wat indrukwekkende taferelen opleverde. Bomen werden ingepakt ter bescherming en de oever kreeg het zwaar te verduren. Er is een speciaal team ingehuurd om de beschadigde oeverbanken te herstellen.

Een van de mannen vertelde mij dat ze bij het afgraven van een straat nog nooit een pot gouden munten gevonden hadden. “Tja en als het zo was zou ik het niet zeggen” glimlachte hij. Het meest vreemde wat hij bij het graven ooit was tegengekomen waren skeletten –“ niet hier hoor” . Over de vindplaats wil hij niets zeggen  “Dat ligt nogal gevoelig” zegt hij.

Het gras  aan de Bovenkerkerkade staat alweer erg hoog.

Een goede reden om nog eens terug te komen op de reportage van de Groene Helden van vorig jaar, waarin de aandacht gevestigd werd op de rommel die onze bewoners achterlaten op o.a. sportvelden, en zoals ieder jaar ook weer in het hoge gras,onzichtbaar,vogelkooien, meubilair en andere zaken.

Laten we er en mooie en schone zomer van maken.

Marianne Strack van Schijndel